Burman

 3 A. Handboeken

 

 



Carina Burman

"Min salig bror Jean Hendrich”, roman

Stockholm 1993

 

Pag. 99

 

(...)

“Men Jonas, när träffade du honom (=Kellgren) igen?”

“Det var i Västergötland, vid påsktid 1777... han hade fått kondition i Stockholm hos greve Meijerfeldt, men kunde tiiträda den förrän till hösten... ja mötte honom hemma hos mamma...”

(...)

 

 

Pag. 101

 

(...)

Så for vi till Meijerfeldtska palatset, beläget i kvarteret Hästhuvudet, mitt emot Kungsträdgården. Det grevliga hemmet var det vackraste jag sett, ja, bredvid det stod även biskopshuset i Skara sig slätt. Det var tapeter i siden, glimrande speglar och förgyllda fåtöljer. Konterfej och fresker fanns på väggarna, draperierna sken i alle himlens färger. Framför oss vindlade en trappa upp till det nobila etaget. Jag stöd där och bara gapade, jag, en trettioårs präst! En altför täck kammarjänta visade oss till våra rum, och ingen tycktes förundrad över att Jean hade sin bror med sig.

            Det var många trappor att gå, och snart försvann båade marmorn och förgyllningen och gav plats för gråa stentrappor och duvfärgade väggar. Rummen var rena och snygga, med ljusa couleurer och rutigt stolstyg. En av sängarna hade ledigt rymt oss båda, men vi hade nu nått den ålder då man kamperade var för sig. I Jeans rum stod en pulpet, och han lyfte genast upp sina böcker på den. Jag bläddarde så smått i dem, lade Voltaire och La

(...)

Zo reden wij naar Meijerfeldtska Palatset, gelegen in het kwartier Hästhuvudet, midden tegenover Kungsträdgården. Het grafelijke huis was het mooiste dat ik zag, ja, zelfs het bischopshuis in Klara stond er bij in de schaduw. Aan de muren hingen tapijten, glimmende spiegels en vergulde fauteuils. De gangen waren gevuld met portretten en fresco’s en draperieën hingen in alle kleuren van de hemel. Voor ons leidde een trap omhoog naar de adelsverdieping. Ik stond daar maar met open mond, ik, de 30-jarige priester! Een al te mooi kamermeisje wees ons naar onze kamer, en het scheen geen verwondering te wekken dat Johan zijn broer had meegenomen.

Er waren veel trappen te gaan, en spoedig verdwenen zowel marmer als vergulsel, en maakten plaats voor grijze steentrappen en matgekleurde gangen. De kamer was schoon en mooi, met lichte kleuren en vierkant gestoelte. Één van de bedden was ruim genoeg voor ons beiden geweest, maar wij hadden inmiddels de leeftijd bereikt waarop ieder zijn eigen verblijf heeft. In Jean’s kamer stond een lessenaar en hij plaatste er meteen zijn boeken op. Ik bladerde er zo’n beetje doorheen, liet Voltaire en La

 

Pag. 102

 

Mettrie åt sidan och fastnade för några ganska vackra stycken i Élite des poësies fugitives.

            « Jag tror jag kommer att trivas », sade Jean. « Vacker kammarsnärta, förresten. Och grevinnan lär vara skön som en gudinna! Hela Stockholm talar om henne, de kallar henne ‘den vackra Meijerfeldt’...”

            “I ett vackert hus bor inte alltid dygd och gudfruktighet.”

 (...)

Mettrie terzijde en bleef hangen in enkele heel mooie stukken in Élite des poèsies fugitives.

“Ik geloof dat ik mij ga vermaken, zei Jean, “Een mooi kamermeisje, daarnet. En de gravin moet goddelijke schoonheid hebben. Heel Stockholm praat over haar, en noemt haar ‘de knappe Meijerfeldt...”

“In een fraai huis woont niet altijd deugd en godvruchtigheid”.

Jean lachte. “Neemaar, dat was ik toch vergeten! En helemaal herinner ik me dat niet voor goeverneurs en dienstvolk, omdat het hier niet om een dochter des huizes gaat – mar hoe zit dat met de huisvrouw, mag men haar het hof maken?” (...)

 

Pag. 103

 

(...)

            « Nå? Hur var greven?”

            “Lång, ful och mager, men glad och gemen.

“En, hoe was de graaf?”

“Lang, lelijk en mager, maar vrolijk en gewoon. Wij hebben elkaar getroffen toen ik voor het eerst uit Finland overkwam. De gravin, daarentegen, waar een eerste ontmoeting. Niet jeugdig, maar aantrekkelijk – een klein vrouwlijk gezicht, zwarte wenkbrouwen... De kleine graven lijken uiterlijk meer op vader dan moeder, en zijn wel zoals edeljongens gebruikelijk zijn. Gekleed in elegante hemden, één van hen heeft een ladder in zijn kous – moordgeschreeuw van de gravin, wie heeft kleine Adolf gapotte kousen aangedaan? Kinderjuffrouwen geroepen, opgewonden verhoor, tot de graaf zelf op het idee komt Adolf te vragen, die erkende dat hij met keukengerei speelde. Rust weergekeerd. Kleine Johan August stond de hele tijd rustig, boosaardig en gedeisd.”

“Hoe oud zijn ze?”

“De gravin is wel zeker dertig – van jouw leeftijd dus.” Ik fronste, en Jean ging door. “Of waren het de jongens waar je naar vroeg? Johan August is elf en Adolf acht. Ik ga onmiddellijk beginnen de jonge graven in de Franse taal te onderwijzen.”

“Praten zij niet Frans?”

“Nee, ik sprak met het heerschap in goed Westgotisch / Duits. De graven antwoordden in het Zweeds en de gravin in Hofzweeds, hoc est Franse woorden met Zweedse verbuigingen. – Ja, zo gaat het. Het gravenpaar zou het appreciëren om mij en mijn heer frère vanavond aan het souper te zien. Wat kun jij aantrekken?” (...)

 

Tijdens het souper praat de broer van Kellgren met een wederzijdse vriend Clewberg en een bewoner van Meijerfeldts paleis Carl Petter Lenngren. Hem valt op dat het grafelijke wapen overal staat afgebeeld, zelfs op het porcelein. Later luistert hij het geroddel van de gravinnen af over de nieuwe gouverneur. Enkele dagen later denkt een dienstmeid dat de broer Kellgren zelf is, neemt hem mee naar een geheime kamer in het paleis, waar de gravin in dunne ochtendjapon binnenkomt en na wederzijdse verbazing het tot een harstochtelijk nacht komt. Als hij het aan zijn broer opbiecht, blijkt deze ook dergelijke ontmoetingen te hebben.