|
Steckzen |
|
"Västerbottens
Regementes Officerare till pag. 312-317 665. Meijerfeldt, Johan August, greve son
till generalguvernören i Pommern, greve Johan August Meijerfeldt och Brita
Barnekow; (...16 regels bekend c.v. hier weggelaten, alsook copie van een
schilderij....) Meriter: M uppgiver i sin meritförteckning nedanstående »anekdoter» angående
sitt leverne: »(direct in het Nederlands vertaald) In het jaar 1737
werd ik door koning Frederik benoemd tot kamerheer (1), maar omdat
de militaire drang bij mij vanaf mijn vroegste jeugd zo sterk was, wilde ik niets van deze koninklijke gunst
weten, zodat de benoemingsbrief door mijn voorouders werd weggestopt en ik
deze niet eerder gezien heb gezien dan toen ik veldmaarschalk was, toen ik
het tussen andere familiepapieren tegenkwam, maar een benoeming tot
verkenner, die ik kreeg bij het regiment van de toenmalige kolonel graaf
Dohna, die in het garnizoen van Stralsund lag, werd door mij met het grootste
genoegen en verantwoordelijkheid tegemoet getreden en opgenomen. Intussen was
bovenvermelde kamerheerbrief toch nuttig omdat ik daardoor in 1744 onder de
noemer van functieruil met een met luitenant-kolonelstitel bij de lijfgarde
van de Koningin geplaatste kapitein met de naam Buggenhagen, door middel van
4000 rijksdaalder bemiddelingsvergoeding, diens compagnie en werd kapitein (2),
maar toen ik verlangde om in het gevecht de nodige kunde te vinden en dat
verdiende in die tijd en de voor mijn leeftijd verkregen vooruitgang, drong
ik zo lang bij mijn voorouders aan, dat ik het jaar daarop 1745 als
vrijwilliger ging naar het in Bohemen tegen de koning van Pruisen staande
Oostenrijkse en Saksische leger onder het bevel van prins Karel van
Lotharingen, onder welke de Saksische veldmaarschalk, de hertog van
Weissenfels, destijds de Saksische troepen commanderende en tegen ons onder
Karel XII had gediend en met mijn vader bekend was; ik werd door hem
aanbevolen en hoewel het daar moeilijk was voor buitenlandse vrijwilligers om
binnen te komen werd ik met veel goedwillendheid tegemoet getreden en kwam ik
aan in het kamp in Königgrätz, waar het leger stond. Toen de Saksische
troepen tegen de herfst zich voor het grootste van het leger afscheidde om
hun land te beschermen en de hertog van Weissenfels met hen volgde, werd ik
door hem aanbevolen bij prins Karel van Lotharingen en bij hem aangenomen als
vrijwilliger en woonde de slag van Sohr (Soor) bij en de winterveldtocht bij
Lössnitz en de Saksische grens, waarbij, aangezien het Pruisische leger
Sasksen binnenviel, de slag van Kesseldorf kwam, welke ik, hoewel het
Oostenrijkse leger niet erg vooruit kwam maar samen met weinig andere
vrijwilligers, die bij de berichten over de nadering van de vijand in de
nacht vooruitsnelde, ook zodoende bijwoonde. Toen kort daarop de Vrede van
Dresden met de Koning van Pruisen werd gesloten maar de oorlog met Frankrijk
voortduurde, verzocht ik in het jaar daarop, namelijk 1746, bij koning
Frederik om diens aanbeveling bij veldmaarschalk, de vorst van Waldeck, welke
de bij het geallieerde leger in Brabant bevindende Hollandse troepen
commandeerde en begaf me daarnaar op weg en werd met veel goedheid tegemoet
getreden en heb na enige tijd het bevel gevoerd en vele duidelijke berichten
van hem uitgevoerd. Tussen verscheidene kleine affaires die voorvielen,
raakte bij een achterhoedegevecht mijn paard gewond. De herfst daarop vond de
Slag bij Raucoux plaats, waarbij hoofdzakelijk de linkervleugel onder de
vorst van Waldeck in problemen raakte, toen enkele bataljons Beyerse troepen
in verwarring raakte en de vorst dit zelf wilde herstellen, stelde hij zich
zo bloot dat zijn mantel door een musketkogel doorschoten werd en allen die
bij hem waren geblesseerd raakten mij uitgezonderd, die er gelukkig en blij
vanaf kwam. Na het slot van de campagne volgde ik de vorst van Waldeck naar
Den Haag en bracht de winter met hem door, deels daar deels in Arolsen in
zijn land, waarheen zij zich enige tijd begaf; was sindsdien met hem bij
Amsterdam; kort voor de diens uitreis naar Arolsen werd ik met enkele
depeches betreffende de daarop volgende veldtocht door hem als koerier
vooruit gezonden naar Den Haag en volvoerde die rit van woensdag morgen heel
vroeg vrijdagmiddag, toen ik aankwam in Den Haag. In 1747 bij het begin van de campagne werd ik door de
vorst benoemd tot één van zijn adjudant-generaals. Dat jaar commandeerde de
hertog van Cumberland het leger en onder hem veldmaarschalk Batthiani de
Oostenrijkse en de vorst van Waldeck de Hollandse en de in hun soldij staande
troepen; de Engelse troepen waren onder generaal Ligonier en de Hessische
onder hun erfprins alsmede landgraaf’s bevel. Bij de slag van Lofeld (Laffelt) die onder die veldtocht
voorviel en waarbij alleen de linker vleugel en het centrum tot treffen
kwamen, werd ik, omdat ik met enige rapporten over een bepaalde positie bij
de hertog van Cumberland en van hem naar aanleiding daarvan naar
veldmaarschalk Batthiani werd gestuurd, om op te dragen dat de rechtervleugel
naar voren zou oprukken en aanvallen, toen hadden de omstandigheden zich bij
terugkomst gewijzigd en omdat om naderbij te komen ik door Ollitikze heen
gereden was, welke inmiddels door onze troepen geëvacueerd was en de
vijandelijke cavalerie binnengerukt was, zodoende raakte ik tussen hen in en
probeerde wel er vandaan te rijden, maar aangezien mijn paard na de zware rit
niet iets groots meer vermocht, werd ik meteen omsingeld en daarom gaf ik
mijn over. Vanaf het moment dat ik mijzelf bekend maakte, werd ik
snel naar de hoogte van Herderen gevoerd, waar de koning zich bevond omgeven
door een sterke dekking; de oude maarschalk graaf Nocilus, die aanwezig was,
wilde mij ondermeer ondervragen naar de positie van onze troepen, maar omdat
ik slechts algemene en hem niet nuttige antwoorden gaf, werd ik verder
gezonden en verbleef de nacht samen met een gevangenen. Engelse officier in
een alleenstaand huis onder bewaking van 12
tot 15 man infanterie. De volgende dag werd ik daar vandaan vervoerd
naar Thagern, waar ik aantrof generaal Ligonier, luitenant-generaal Ischburg
en meer van de onzen, met welke ik middag at, op koning’s kosten zeer wel
bediend met twee gangen en dessert toe, zilveren servies, etc. Op weg daarheen kwam ik de hoftrompetter van de vorst van
Waldeck en met hem mijn kamerdienaar tegen, die de vorst, in de overtuiging
dat ik was neergeschoten, had afgevaardigd om mijn lijk te zoeken en op te
eisen, maar in het geval ik nog steeds in leven was, de maarschalk de Saxe te
verzoeken dat ik zou worden teruggezonden door gelijktijdig een Franse
brigadier en elf andere officieren, die door diens troepen gevangen waren
genomen, terug te zenden. Nadat die trompetter aankwam bij de maarschalk de
Saxe, kwam vervolgens aan, toen wij nog aan tafel zaten, zijn eerste
adjudant-generaal brigadier Gader, die zich ogenblikkelijk op de hoogte
stelde, «si le comte Meijerfeldt se trouvait parmi nous», en toen ik mij
bekend maakte zei hij, «que la requisition faite de prince de Waldeck,
j’étois le maître de retourner aux lui», waartoe ik ogenblikkelijk gereed
was, maar omdat bovengenoemde generaals, tussen welke ik zat en welke veel
vriendschap voor mij hadden, zeiden dat ik niet zo snel weg moest vluchten
zonder de maaltijd af te maken, kwam ik er niet toe zo snel weg te gaan
zonder te wachten tot de volgende morgen, toen ik werd gevoerd naar het
hoofdkwartier van maarschalk de Saxe, die in Grote commendenet (3)
was, waar de nacht voor de slag ons hoofdkwartier was. Hier was veel
beleefdheid van alle aanwezigen mijn deel. Ik herinner me onder andere dat de
prins van Turenne, die kolonel-generaal van de cavalerie was, wilde, omdat
hij zag dat ik zonder degen was, snel daarnaar wilde laten zoeken, maar
verzocht ik hem niet die moeite te doen en vertelde hem dat ik niet werd
gefouilleerd behalve slechts mijn pistool en degen van mij werden afgenomen
dus behoorden deze terecht aan hen, zo namen dezelfde evenzo mijn paard,
waarvoor ik onder dezelfde hoffelijke gewoonte geen nieuwe kreeg. Aangezien
nabije ruiters die mij gevangen hadden genomen mij aan de infanterie
overdroegen, welke, als ik het goed heb, het regiment Picardie was, die met
velen in linie opgesteld was, mijn paard met zich wilde nemen, waarop ik,
aangezien ik de weg niet helemaal te voet wilde afleggen, hen voorstelde het
bij mij te laten tegen de verzekering dat ik direct verscheidene paarden zou
terugzenden of ook de prijs die zij daarvoor wilden hebben. Omdat zij niet
snel tot een besluit konden komen en daarom één van hen zei: “laisser le
cheval à monsieur , le Duc en repond”, en zei mij tevens dat de Duc d’Ahlia,
die kolonel van Picardie was en die bij de discussie aanwezig was en mij de geste
gegund had, waarop ik hem bedankte onder de verzekering dat ik zo snel ik in
een plaatsje zou komen ik hem of een of andere manier genoegdoening zou
geven. Ik kon zodoende mijn weg te paard voortzetten met alle gemakken van
dien. Omdat het bijna ochtend was toen ik bij het Franse
hoofdkwartier aankwam, werd mij ontbijt aangeboden, en werd ik in korte tijd
bekend met de omgeving. Kort daarop liet Maarschalk von Saksen die daar toen
was mij tot zich roepen en zei dat de vorst van Waldeck, die veel belang in
mij stelde, had verzocht mij terug te zenden en zich opnieuw had verbonden
hem terwille te zijn, waarop ik hem bedankte en gelijktijdig verzocht dat
over de goedheid die hij mij bewees ten grondslag lag dat ik kon worden
uitgewisseld zodat ik nog dienst kon doen. Hierop antwoordde hij dat ik nu
werd uitgenodigd om te worden weggezonden en dat men dan wel zou zien hoe de
wederdienst zou aflopen; gelijkelijk wenste hij mij de gezondheid van de
vorst toe. Daarop nam ik afscheid en reed met trompetter en kamerdienaar naar
het hoofdkwartier van de vorst waar hij toen met verscheidene generaals aan
tafel zat. Na de rijksdag van 1756 ging ik opnieuw naar buiten en
deed mee met de campagne van de huidige Hertog van Brunswijk tegen de Fransen
met het geallieerde leger, onder welke tijd ik meedeed aan de Slag bij
Hastenbeck en toen Zweden de oorlog had verklaard aan de Koning van Pruisen,
begaf ik mij naar ons leger en werd in 1758 benoemd en was als majoor
bevelhebber van het bataljon dat was geformeerd uit alle Duitse grenadiers in
de regimenten, hetwelk ik alle jaren bleef tot het einde van de oorlog en in
die tijd tot kolonel werd bevorderd zonder dat ik aan de beurt was. Bij
thuiskomst in Zweden kreeg ik opdracht adjudant-generaal bij koning Adolf
Fredrerik te worden en werd naderhand bevorderd tot luitenant-generaal. In 1788
werd ik in die rang naar Finland overgeplaatst, toen de oorlog aan Rusland
was verklaard, en kreeg van koning Gustaaf III de order om het bevel te
voeren over het leger dat van Frederikshaven naar Anjala terugkwam. In
december van hetzelfde jaar werd mij het bevel over het leger weer
toevertrouwd, hetwelk ik tot de Vrede van Värälä behield; in 1789, toen ik de
Högforspas had ingenomen, werd ik benoemd tot generaal van de infanterie en toen
die pas datzelfde najaar door de vijand bezet werd, lukte het mij het jaar
daarna 1790 die weer te heroveren, waardoor wij meester van Svensksund
werden. Voor de inneming van Högfors werd ik door Koninklijke Majesteit
benoemd tot Ridder met Grootkruis van de Zwaardorde; hetzelfde jaar bij de
vrede werd ik verder veldmaarschalk en door de allergenadigste koning tot
Ridder van de Serafijnen Orde benoemd.» M doet ook opgave van zijn heldendaden tijdens de
rijksdag van 1756 en zijn trouw aan Adolf Frederik had hem een haar na
gescheeld om een kopje kleiner te worden gemaakt. (1) Volgens
het familieboek, deel 1, blz. 110 - dat zich baseert op Elgenstierna uit 1930
en daarna volgende handboeken - was die benoeming pas op 6 juni 1739, maar in
de oudere bronnen – zoals de “Biografiskt Lexicon öfver namnkunnige svenska
män” - wordt 1737 genoemd. (2) Volgens het familieboek, deel
1, blz. 80, toonde hij zich zo bekwaam dat hij binnen 3 jaar de
luitenantsrang had overgeslagen en tot kapitein was bevorderd, maar zelf
geeft de graaf dus een iets genuanceerder versie. (3) Een vreemd woord in de Zweedse tekst. In combinatie met
het woord “Grote” vraag ik mij af of er niet “Grote Spouwen” heeft gestaan,
want dat lag in de geallieerde linie. |